Rechtbank Breda 3 september 2009 (cocaïnewasserij), LJN BJ7099

Verweer van raadsman, dat politie een toezichthouder van de gemeente zou hebben gebruikt om onder het mom van een milieucontrole toegang te krijgen tot een adres wordt verworpen. Het is niet aannemelijk geworden dat de gemeentelijke toezichthouder het onderzoek is aangevangen (mede) met het doel om informatie/duidelijkheid te verkrijgen over een hennepkwekerij, een cocaïnewasserij of andere drugsactiviteiten. De gemeentelijke toezichthouder heeft in zijn verklaringen bij de rechter-commissaris naar het oordeel van de rechtbank duidelijk gemaakt dat het betreffende onderzoek een periodieke controle was in het kader van de Wet milieubeheer en dat hij, na een eigen zelfstandig onderzoek naar informatie over het pand van medeverdachte op internet, alleen contact heeft opgenomen met een medewerker van het Courageteam, omdat het logo van dat team op het scherm was verschenen bij het intypen van de straatnaam van het pand.
Uit geen van de bewijsmiddelen is gebleken dat hij toen er van uitging of in de veronderstelling verkeerde dat er een hennepkwekerij op dat adres zou zijn. Hij verkreeg door het contact met het Courageteam wel de wetenschap dat er in het verleden een hennepkwekerij op dat adres was aangetroffen. Dat feit doet echter aan het doel waarmee hij zijn onderzoek wilde gaan doen, niet af. De informatie die hij had ingewonnen, was voor hem louter van belang om duidelijkheid te verkrijgen omtrent eventueel door hem in het kader van dat onderzoek te verwachten problemen. Ook kan in het midden blijven of hij dat vermoeden heeft medegedeeld aan de politiemensen die hij vroeg om assistentie te verlenen. Uit de zich in het dossier bevindende verklaringen van alle betrokkenen blijkt dat zij ter plaatse zijn gekomen in verband met de vordering tot toegang tot het afgesloten gedeelte van de loods die hij in het kader van de Wet milieubeheer wilde gaan doen. Tot een dergelijke vordering was hij gerechtigd, ook al had hij het vermoeden van andere (drugsgerelateerde) activiteiten. Nergens blijkt uit dat op dat moment het binnentreden niet meer geschiedde op basis van die wet maar uitsluitend op basis van dat vermoeden en daarmee dus een ander doel had gekregen. De rechtbank verwerpt het verweer.